Herschikking van de taken op het gebied van migratie en vorm geven aan het terugkeerbeleid: het zijn de twee belangrijke redenen waarom de Nederlandse overheid aan IOM vroeg een missie in Nederland te vestigen. Oud adjunct-directeur John van den Bergh is er vanaf het begin in 1991 bij betrokken. In een terugblik valt op dat IOM een belangrijke bijdrage heeft geleverd in het doorbreken van het taboe rond terugkeer van mensen die niet in Nederland konden blijven.
Niet zonder slag of stoot
De gewenste privatisering van overheidstaken medio jaren tachtig van
de vorige eeuw gold ook voor de migratietaken van het Ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid (SZW). In diezelfde periode kreeg remigratie van
gastarbeiders steeds meer aandacht. Aangezien Nederland medeoprichter en dus
sinds 1951 lid was van het toenmalige ICEM (Intergovernmental Organisation
for European Migration), nu IOM, was het voor de overheid voor de handliggend
deze organisatie hiervoor te vragen. IOM reageerde positief en er werd
overeenstemming bereikt. De realisering ervan ging echter minder snel. Van
den Bergh: "Aan de ene kant waren er tal van organisaties die de taken graag
wilden uitvoeren. Aan de andere kant vroeg de Tweede Kamer zich ernstig af in
welke mate de overheid greep had op IOM als internationale organisatie.
Uiteindelijk besloot het Ministerie van SZW de remigratieregeling door IOM te
laten uitvoeren en tegelijkertijd de eerstelijns voorlichtingstaak bij een
stichting, Nederlands Migratie Instituut (NMI), onder te brengen. In deze
stichting zijn een aantal organisaties uit het oude migratiebestel
samengevoegd. Dit NMI heeft nog steeds de voorlichtingstaak op het gebied van
remigratie."
Van Sociale Zaken naar Justitie
Een jaar nadat dat het IOM-kantoor met circa dertig mensen afkomstig van het
Ministerie van SZW en de Nederlandse Emigratie Dienst aan de Molenstraat in
Den Haag van start was gegaan, wilde minister Bert de Vries van het
Ministerie van SZW de afspraken alweer ongedaan maken. De overheid zag zich
in het nieuwe beleid namelijk geen taak meer weggelegd op het gebied van
(e)migratie. Tegelijkertijd was de IOM-missie in oprichting eind 1990 in
gesprek met het Ministerie van Justitie over het uitvoeren van het in het
regeerakkoord afgesproken humaan en effectief terugkeerbeleid.
"Het Ministerie van Justitie had namelijk bij IOM in België en Duitsland terugkeerprojecten gezien en wist van de komst van een IOM missie in Nederland. Resultaat was dat op verzoek van het Ministerie van Justitie IOM op 1 januari 1992 startte met het Terugkeerbureau." In 1994 is de uitvoerende taak van IOM op het gebied van remigratie overgegaan naar de Sociale Verzekeringsbank. De uitvoering van de Remigratieregeling is uiteindelijk doorgegaan binnen het beleid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en is later overgegaan naar het Ministerie van Justitie.
Het Terugkeerbureau had als taak om op verzoek van organisaties als VluchtelingenWerk, sociale advocatuur en dergelijke na te gaan of migranten voor de regeling in aanmerking kwamen. Zo ja, dan zorgde IOM voor een boeking en werd de persoon opgeroepen op de dag van vertrek op Schiphol. IOM onderhield contact met de betreffende tussenpersoon en deze hulpverlener onderhield daarop contact met de migrant. In de beginperiode vertrokken er zo'n zeshonderd mensen per jaar. Dit aantal nam fors toe toen in eind jaren negentig de in Nederland opgevangen vluchtelingen uit Kosovo en Bosnië terugkeerden. Inmiddels had IOM ook een bureau Doormigratie, een bureau Gezinshereniging en een bureau Uitgenodigde Vluchtelingen.
Geen populair onderwerp
Steeds meer vluchtelingen kwamen naar Nederland en terugkeer werd een
belangrijk aspect in de asielprocedure. In 1999 werd IOM betrokken bij de
door toenmalig nieuw aangetreden Staatssecretaris Cohen op te stellen
terugkeernotitie. Het leidde tot de keuze om vrijwillige terugkeer actief
vorm te geven met regionale IOM-medewerkers in het land. "Hier ligt het begin
van de districtenwerkwijze met zogenoemde districtsmedewerkers. In 2001
verhuisde IOM naar de Badhuisweg en werd een reorganisatie doorgevoerd. De
nieuwe organisatiestructuur bood vanaf toen ook de mogelijkheid voor het
ontwikkelen van projecten op het gebied van migratie, zoals terugkeer voor
mensen in detentie of voor migranten met gezondheidsproblemen. Deze
verandering is een belangrijke stap geweest. Diverse staatssecretarissen
waren blij met de voorstellen van IOM om terugkeer op meer manieren gestalte
te geven en toe te spitsen op specifieke situaties waar mensen in verkeerden.
Vooral omdat terugkeer geen populair onderwerp was."
De meeste districtsmedewerkers waren afkomstig van het Centraal Orgaan opvang
Asielzoekers (COA). "Het waren en zijn nog steeds gemotiveerde mensen die
hadden gezien hoe uitzichtloos het wachten in Nederland voor veel mensen was.
Dat is belangrijk geweest bij het aankaarten van en informeren over
mogelijkheden van terugkeer. De voeling met het veld, de samenwerking met
organisaties, de behoeften signaleren en er projecten voor ontwikkelen: het
is nog steeds de basis voor de huidige werkwijze bij vrijwillige
terugkeer."
Concluderend heeft IOM een grote rol gespeeld in het doorbreken van taboes omtrent terugkeer. "We hebben een omslag bereikt door jarenlang voorlichting te geven en samen te werken met alle partijen die om de asielzoekers heen stonden. We konden ook vertellen over mensen die met succes waren teruggekeerd. Mensen kunnen een goede en geïnformeerde afweging maken in de keuze om zelfstandig te vertrekken. Terugkeer is nu een reële optie geworden waar je vrijelijk over kunt spreken. Terugkeer is geaccepteerd", aldus John van den Bergh bij zijn vertrek bij IOM begin 2008.
Internationale Organisatie voor Migratie
Migratie Info 2008, nr 1
Thema: IOM