De Nationaal Rapporteur Mensenhandel (NRM) heeft tot taak de Nederlandse
regering te informeren over mensenhandel en te adviseren over de aanpak
ervan. Er gebeurt veel, maar nog niet genoeg, zo blijkt uit de in juni jl.
uitgebrachte vijfde rapportage Mensenhandel van de NRM. Deze bevat meer dan
zestig aanbevelingen over een veelheid aan onderwerpen, waaronder wet- en
regelgeving, voorlichting, hulpverlening aan slachtoffers, opsporing - met
extra aandacht voor financieel rechercheren -, vervolging en
berechting.
In het najaar 2006 is mw. mr. C.E. Dettmeijer-Vermeulen (58) benoemd tot
Nationaal Rapporteur Mensenhandel. Ze is opvolger van mw. A.G. Korvinus, die
vanaf 1 april 2000 de functie van NRM vervulde.
Corinne Dettmeijer-Vermeulen was onder meer officier van Justitie,
kinderrechter, rechter in de familiekamer en in de Vreemdelingenkamer. "Dit
eerste jaar is omgevlogen", zegt ze. "Het is een buitengewoon interessante en
boeiende baan, waarbij het onderwerp vanuit verschillende invalshoeken wordt
bekeken. Het gaat over opvang van slachtoffers, schadevergoeding, opsporing
en berechting van daders, met nationale en internationale aspecten en
samenwerking. Ik zie bij alle mensen die er werken, net zoals ik dat in de
Jeugdzorg tegenkwam, extra passie en betrokkenheid. Want er zijn dingen die
echt niet mogen gebeuren!"
Dettmeijer-Vermeulen schetst de belangrijkste aspecten uit de vijfde
rapportage.
Uitbuiting buiten de seksindustrie
Op 1 januari 2005 trad de nieuwe mensenhandelbepaling (artikel
273fSr) in werking onder de titel 'Misdrijven tegen de persoonlijke
vrijheid'. Daarmee is ook uitbuiting in andere sectoren dan de seksindustrie
strafbaar als mensenhandel. De rapportage bevat diverse cases, variërend van
misstanden in arbeidssituaties tot excessieve uitbuitingssituaties waarin
basale rechten van slachtoffers worden geschonden en die zonder twijfel als
mensenhandel aangemerkt kunnen worden. "Veel mensen koppelen slavernij aan
een ver verleden, maar het is nog steeds actueel", aldus
Dettmeijer-Vermeulen. "Het blijkt echter ingewikkeld om de grens tussen
slecht werkgeverschap en uitbuiting te kunnen aangeven." Tot nu toe kwamen
twee zaken voor de Nederlandse rechter, één betreffende hennepknippen en één
in de Chinese horeca. Die leidden beide in eerste aanleg tot vrijspraak van
mensenhandel. "De kwestie van de hennepknippers heeft de rechtbank, ondanks
de slechte omstandigheden, toch niet als uitbuiting gezien, onder meer omdat
het werk niet dagelijks werd verricht. In de zaak over de Chinese horeca
heeft de rechtbank veel gewicht gehecht aan het feit dat de werknemers zelf
naar de werkgevers zijn gegaan om er te kunnen werken en niet geronseld
zijn." De NRM volgt de jurisprudentie betreffende de grenzen van het begrip
uitbuiting op de voet. "In België zijn al vele veroordelingen geweest, óók in
de Chinese horeca. Ik ga de Belgische uitspraken vergelijken met de
Nederlandse voor zover zij de overige uitbuiting betreffen. Zowel in België
als in Nederland is het mensenhandelartikel gestoeld op internationale
verdragen."
Wat opvalt, is dat de NRM-rapportage aandacht vraagt voor de
werkomstandigheden van personeel bij buitenlandse diplomaten. "Ja, uitbuiting
komt daar echt voor en daar moet meer aandacht voor zijn! Ik weet dat in
België het personeel van diplomatenhuishoudens eens per jaar een gesprek
heeft op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Zoiets zou ik ook graag in
Nederland zien."
De slachtoffers
In de positie van slachtoffers ziet de NRM verbeteringen, althans
voor degenen die meewerken aan opsporing en vervolging. Zo geldt de
B9-regeling nu ook voor slachtoffers van overige uitbuiting en zijn de
mogelijkheden voor voortgezet verblijf verruimd. De 'B9-regeling' duidt op
Hoofdstuk B9 uit de Vreemdelingencirculaire en bevat de procedure die is
bedoeld voor slachtoffers en getuigenaangevers van mensenhandel. Het doel
ervan is slachtoffers van mensenhandel in staat te stellen aangifte te doen
en de dreiging van onmiddellijke uitzetting weg te nemen.
Aan de positie van het slachtoffer valt in de praktijk volgens
Dettmeijer-Vermeulen nog veel te verbeteren, ook in en rond het strafproces.
Zo is het voor slachtoffers niet eenvoudig geleden schade vergoed te krijgen.
"Rechtbanken leggen terecht de nadruk op het strafwaardig gedrag van de
verdachte en vinden over het algemeen dat het voeren van de discussie over de
hoogte van de vergoedingen de aandacht van de strafzaak afwendt. Ze verwijzen
slachtoffers dan ook veelal naar een civiele procedure. Dat is voor
slachtoffers een lange, moeilijke en vrijwel niet te volgen weg." De NRM gaat
de positie van het slachtoffer in de komende periode nader onderzoeken. "Het
is bijvoorbeeld voorgekomen - in de zaak van de hennepknippers - dat de
werkgever werd vervolgd voor uitbuiting en de slachtoffers werden vervolgd
voor de overtreding van de opiumwet, en dat terwijl zij dat werk deden in een
uitbuitingssituatie. Dat klopt niet." Een ander probleem is dat vreemdelingen
die in een slachtoffersituatie worden aangetroffen, niet direct de
B9-regeling aangeboden krijgen. "Deze mensen worden in vreemdelingenbewaring
gezet en krijgen pas later, terwijl zij dus in detentie zijn, de B9-regeling
aangeboden. De Raad van State heeft die werkwijze goedgekeurd, maar daar ben
ik het niet mee eens. Vreemdelingenbewaring is naar mijn mening geen optie
als de B9-regeling moet worden aangeboden."
Ook de bewustwording en beeldvorming in de samenleving vragen aandacht.
"Mensen die beweren dat slachtoffers louter aangifte doen om een
verblijfsvergunning te krijgen, hebben een verkeerd beeld. Het 18-jarige
meisje uit Roemenië dat in plaats van de beloofde baan in een kapperszaak nu
in de prostitutie moet werken, wil het liefst naar huis. Ik zou willen dat,
als de media berichten dat vijftien illegale arbeiders zijn opgepakt in het
Westland, de burger niet direct denkt van 'illegalen, weg ermee', maar ook
eens nadenkt of er misschien sprake zou zijn van uitbuiting." Eén van de
aanbevelingen is ook dat illegale arbeiders zonder consequenties misstanden
kunnen melden bij bijvoorbeeld de arbeidsinspectie.
Omvang
Het blijft lastig om de omvang van de populatie slachtoffers helder te
krijgen. "Als een vrouw op het Noordeinde in Den Haag om half vier van haar
tasje wordt beroofd, kan ze bij de politie precies plaats en tijd vermelden.
Na de tasjesroof is zij voor de dader niet meer interessant. Deze vrouw doet
altijd aangifte en daarmee is het aantal straatroven goed in beeld te
brengen. Dat ligt bij mensenhandel geheel anders. Een slachtoffer van
mensenhandel zit in een situatie die vaak heel langdurig is. Het slachtoffer
blijft van belang voor de handelaar vanwege de inkomsten. Deze zal er alles
aan doen om te voorkomen dat het slachtoffer een coherent verhaal kan
vertellen. Enerzijds door het slachtoffer regelmatig naar een andere plaats
te brengen en haar/hem op die wijze te desoriënteren, anderzijds door geweld
en bedreiging. Slachtoffers zijn bang om aangifte te doen - een angst die
door de dader wordt gevoed - en komen daardoor minder in beeld."
Het is belangrijk bij de vervolging en berechting van dit soort zaken inzicht
te hebben in de (vaak traumatische) slachtoffersituatie. Dettmeijer-Vermeulen
geeft het voorbeeld van een slachtoffer die in 2002 uitvoerig aangifte had
gedaan. "Toen ze als getuige werd gehoord bij de rechter-commissaris trok ze
haar verklaring in. Toch heeft de rechtbank de eerste aangifte als waar
aangemerkt en de latere intrekking naast zich neergelegd, ook omdat het
slachtoffer erg nerveus was bij de tweede verklaring. De dader werd
veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf. Dit vonnis geeft weer dat de
rechtbank dat inzicht in de slachtoffersituatie mee heeft laten wegen.
Meer opvang en ook voor mannen
Uit de registratie van de Stichting tegen Vrouwenhandel blijkt dat zich daar
voornamelijk vrouwelijke slachtoffers melden. Dettmeijer vindt het niet juist
om hieruit de conclusies te trekken over verschillen tussen mannen en vrouwen
ten aanzien van bijvoorbeeld het doen van aangifte of het zich melden bij
opvang. "Wel is bekend dat, voordat het wetsartikel ook zag op 'overige
uitbuiting', de slachtoffers voornamelijk vrouw waren. Daardoor wordt
slachtofferopvang vooral gericht op vrouwen en uitgevoerd in
blijf-van-mijn-lijfhuizen. Er worden nu steeds meer mannelijke slachtoffers
gemeld bij de Stichting Tegen Vrouwenhandel (STV) en er moet specifieke
opvang komen, ook voor mannen." Wellicht kan de gecombineerde categorale
opvang voor mannen en vrouwen in België als voorbeeld dienen.
Uitbuiting binnen de seksindustrie
Uitbuiting binnen de seksindustrie komt nog steeds voor in
Nederland. Zelfs in de vergunde sector, zes jaar na de opheffing van het
algemeen bordeelverbod. "Dit is niet acceptabel. Ik pleit dan ook voor een
aangescherpt landelijk kader voor het prostitutiebeleid waarin gemeenten hun
zaken op dit terrein niet - zoals nu - kúnnen, maar móeten regelen",
benadrukt de nationaal rapporteur. Werken in de prostitutie is sinds de
opheffing van het bordeelverbod gewoon werk. Geld verdienen aan prostitutie
door exploitanten en pooiers is niet langer strafbaar. "Uitbaters en
beheerders van de raamprostitutie moeten een vergunning hebben en worden
gecontroleerd. De escortservice echter is niet in alle gemeenten
vergunningplichtig. Ik vind dat iedere uitbater aan het vergunningsstelsel
onderhevig gesteld moet zijn en dat de controle moet worden verscherpt.
Opsluiten minderjarige meisjes
De rapportage bevat ook de aanbeveling om te zoeken naar
alternatieven voor het simpelweg opsluiten van minderjarige meisjes. In een
uitleg vertelt Dettmeijer-Vermeulen: "Dat bestaat al zolang de
kinderbescherming er is. Jongens worden opgesloten omdat ze strafbare feiten
plegen, meisjes omdat ze verkeerde vriendjes hebben." Met name de
slachtoffers van loverboys moeten op een goed moment beschermd worden, al is
het tegen hun wil. "Ze zien zichzelf niet als slachtoffer en komen steeds
verder in de ellende. Het is een hele toer om hen los te weken van een
loverboy en dat gebeurt nu meestal door opsluiten." Een ongewenste methode,
maar helaas soms noodzakelijk, vindt de nationaal rapporteur. Er moet naar
alternatieven worden gezocht. De Hoenderloogroep heeft bijvoorbeeld een
experiment waarbij meisjes een halfjaar in India wonen en werken. Of dit
project succesvol zal blijken, is nog niet duidelijk.
Taske Force mensenhandel
Inmiddels werkt de NRM aan de zesde rapportage die eind 2007
verschijnt en met name cijfermatige informatie zal bevatten. Daarnaast
onderzoekt de NRM de jurisprudentie zowel wat betreft de strafmaat voor
daders als de voorzieningen voor slachtoffers. Aandacht gaat ook uit naar
plankzaken bij de politie, die niet tot een strafzaak hebben geleid en naar
mensenhandel met het oog op orgaanverwijdering. "Er zijn nauwelijks
aanwijzingen dat mensenhandel gericht op orgaanverwijdering in Nederland
voorkomt. Het tekort aan beschikbare organen voor transplantatie kan daar wel
toe leiden. Daar is extra aandacht voor nodig."
Op de vraag tot slot of er voldoende gebeurt, antwoordt Dettmeijer-Vermeulen: "Er gebeurt veel, maar niet genoeg. Er zitten veel goede voornemens en goede wil in de hoofden van de betrokken partijen. Het is tijd om daadwerkelijk in de praktijk te brengen van wat op papier al geregeld is. Een Task Force Mensenhandel, waarin alle relevante ketenpartners vertegenwoordigd zijn, zou daarin een stimulerende en faciliterende rol kunnen hebben."
Internationale Organisatie voor Migratie
Migratie Info 2007, nr 3
Thema: Gender & Migratie